Epagneul Papillon

De Papillon is een dwergspaniel en dankt zijn naam aan het Franse woord voor vlinder; ook in het Nederlands wordt hij 'Vinderhondje' genoemd, vanwege de oren, die hoog zijn aangezet en door de afhangende franje aan vlindervleugels doen denken. De Phalene is identiek, behalve dat zijn oren hangen; deze variëteit wordt 'Nachtvlinder' genoemd.

De Papillon is een aanhankelijk, levendig hondje. Hij past zich snel aan, ook aan het klimaat, werpt gemakkelijk en kan goed lopen. Zijn aantrekkelijke verschijning en vriendelijke aard maken hem tot de ideale gezinshond. Maar zoals de vele klein gezelschapshonden kan hij soms ten opzichte van zijn bazen jaloers zijn en is hij vaak wantrouwend tegenover vreemden.

Formaat

De ideale schofthoogte is 20-28 cm. De hond lijkt iets langer dan hoog door zijn halskraag en de broek aan achterkant van de dijen.

Lichaamsbeweging

Zoals zo vele andere klein gezelschapshonden houdt de Papillon het wandelen langer vol dan zijn baas. Hij is echter ook tevreden met een rondje in het park.

Uiterlijke verzorging

Om dit ras in een goede conditie te houden moet het dagelijks worden geborsteld.

Voeding

Aanbevolen wordt 250-375 gram blikvlees, aangevuld met een gelijke hoeveelheid hondenbrood; of 1-1,1/2 kopje droogvoer, complete maltijd, vermengd met 1/2-1 kopje warm of koud water.

Oorsprong en geschiedenis

Men vermoedt dat de Papillon afstamt van de 16de- eeuwse Dwergspaniel en in Spaniel is ontstaan. Dit sierlijke hondje komt op vele schilderijen voor, o.a. van Rubens en Van Dyke. De Phalene of Nachtvlinder is identiek op zijn hangende oren na. In de Verenigde Staten en Engeland worden ze als een ras met vrijwel identieke Raspuntenbeschouwd, behalve wat betreft de kleurvariaties, maar exemplaren met een hoogte van meer dan 30 cm mogen in de Verenigde Staten niet voor tentoonstellingen worden ingezonden.

RASPUNTEN

Algemeen uiterlijk. Deze sierlijke, evenredig gebouwde gezelschapshond moet een aantrekkelijk hoofd hebben, zich alert gedragen en een intelligenter, levendige indruk maken. Hij moet zich vlot en sierlijk bewegen, zonder enige beperking.

Kleur. Wit met vlekken in elke kleur behalve lever. Een driekleurige moet zwart zijn met wit en bruine vlekken boven de ogen, in de oren, onder de staartwortel en op de wangen. De hoofdtekening moet symmetrisch zijn rondom een witte, smalle, duidelijk afgetekende bles.

Hoofd en schedel. De schedel moet tussen de oren iets rond zijn; de snuit fraai puntig en de overgang tussen snuit en schedel is abrupt, waardoor de duidelijke stop nog wordt geaccentueerd. De afstand van de punt van de neus tot de stop is ongeveer een derde van de lengte van het hoofd. De neus moet zwart zijn.

Staart. Lang, hoog aangezet, over de rug gebogen, met lange, overvloedige beharing, die opzij valt en aldus een fraaie pluim vormt.

Voeten. Fijn van vorm en tamelijk lang, als van een haas. De plukken haar tussen de tenen moeten ver uitsteken.